Ruud Abma, ‘Leven voor een leer. Anna Terruwe (1911-2004), Marit Monteiro’, Stichting Psychiatrie en Filosofie (15 april 2025)

Terruwe vormde een bijzondere belichaming van een filosofisch geïnspireerde psychiatrie. (…) De wending die ze aan het begrip verdringing gaf voerde weg van de driftentheorie van Freud en stelde de menselijke rede centraal. Wanneer driften met elkaar in conflict zijn, elkaar verdringen, heeft de rede er geen vat meer op en kan een neurose ontstaan. In de behandeling is het zaak zich in te leven in de binnenwereld van de patiënt en deze rust en vertrouwen te geven, zodanig dat het gevoel weer onder leiding kan komen van de rede. (…) Terruwe had op haar vakgebied ook een meer theoretische zendingsdrang. In aansluiting op haar proefschrift en geïnspireerd door de ervaringen met haar clientèle ontwikkelde Terruwe een nieuw ziektebeeld: de frustratieneurose. (…) Het ging om een fundamentele onzekerheid die voortkwam een affectief tekort in de vroege kindertijd, een gebrek aan ‘bevestiging’. Door als therapeut de liefdevolle aandacht te geven die de patiënt bij de ouders had gemist, kon genezing plaatsvinden. Ze legde haar visie neer in haar boek De frustratieneurose (1962), dat tot in de jaren negentig herdrukt werd. Zij beschouwde dit boek zelf als de kern van haar oeuvre, ook omdat ze hier voor het eerst het begrip ‘bevestiging’ uitwerkte. (…) Bevestiging was meer dan een therapeutisch principe, het was ‘het grote verhaal van ons groots gemeenschappelijk perspectief dat onze menswording is’. (…) Omdat aandacht en liefde geven de kern waren van haar bevestigingsleer hield ze cliënten op moederlijke wijze dicht bij zich, soms zelfs letterlijk want aanraken was geen taboe in haar praktijk. (…) Terruwe stelde zich zelfverzekerd en zelfs dwingend op. Zelfoverschatting was haar niet vreemd, en in de aanloop naar belangrijke ontmoetingen wist ze zich enorm ‘op te pompen’ en maakte dan vaak een geëxalteerde indruk.