Vrijheid:
- komt voort uit een keuze tussen onze eisen waarbij het vermogen tot kiezen een kenmerk is van de menselijke conditie
- is een doel op zichzelf
- is begrensd en een onderdeel van pluralisme
Negatieve vrijheid:
- gaat uit van de gedachte dat geen mens of instantie zich met het handelen van het individu bemoeit
- gaat ervan uit dat vrijheid bepaald wordt door een mate van niet-inmenging met een herkenbare en schuivende grens
- bevat elke vrijheid omdat er voor het individu een plek moet zijn waarop die niet gefrustreerd raakt
- is ‘een vrijheid van iets’
Positieve vrijheid:
- heeft te maken met dat het individu meester over zichzelf wil zijn
- is gekoppeld aan een eigen wilshandeling en dus niet die van een ander
- stelt het individu in staat om eigen doeleinden en strategieën te formuleren en te realiseren
- is ‘een vrijheid om iets’

Het individu:
- is altijd gekoppeld aan erkenning door de ander waarbij die te maken hebben met integratie van belangen, een leven van wederzijdse afhankelijkheid en opofferingen
- waarbij de ander invloed heeft op individuele eigenschappen zoals dit ook met groepen onderling gebeurt
- kent een verlangen naar erkenning waarmee het individu een zelfstandig handelend persoon wordt
Kennis:
- is niet bevrijdend voor ons doordat er meer mogelijkheden worden geopend waaruit een keuze mogelijk wordt maar doordat we worden behoed het onmogelijke na te streven waarmee frustratie wordt bespaard
- is gekoppeld aan de metafysische kern van het rationalisme: het gaat er niet om dat er geen obstakels zijn of een vacuüm is waarin niets het individu dwarszit maar de opvatting van een zelfbepaling of een zelfbeheersing