Dichter en schrijver Rainer Maria Rilke (1875-1926):

  • Reisde door Europa
  • Geldt als beelddichter, beeldschrijver en beelddenker
  • Wordt meestal gezien als dichter maar was ook schrijver en denker
  • Beschrijft behalve aspecten van het menselijke bestaan ook de menselijke conditie in filosofisch werk (‘De elegieën van Duino’)
  • Is gedreven door een noodzaak vooral tot dichten
  • Neemt geen genoegen met de wereld zoals die is
  • De wereld is ‘voltallig’: dat wil zeggen onbegrensd en oneindig veelzijdig
  • Neigde eerder naar monisme en vormde dit om naar pluralisme
  • Ziet zich als volwassene als een beginner die het van nature zwaar heeft
  • Zet de piek-emotie van vreugde in die niet leidt tot uitbundige uitingen maar als een langwerkende brandstof om kunst te kunnen scheppen
  • ‘Het tastbare ontsnapt, verandert; in plaats van bezit leer je betrekking kennen.’

Zijn denken:

  • Wij ‘zijn’ niet maar vormen ons op het kruispunt van invloeden
  • Blijft zelfbewust
  • Ontwikkelt zich met een filosofische gelaagdheid
  • Waarin onvoltooidheid onderdeel is van de menselijke conditie
  • Waarin de wereld in beweging is waardoor we nooit kunnen stilstaan
  • De wereld en wijzelf dus ook zijn in voortdurende verandering
  • Is nooit dogmatisch en legt geen wereldbeeld op
  • Probeert van mens en natuur de gemeenschappelijke ‘machtige achtergrondmelodie’ in woord te vangen en ziet die als verbindend tussen kunst en samenleving
  • Kunst is geen greep uit de wereld maar is een volledige verandering in het glorieuze dat de wereld overstijgt
  • De – menselijke – wereld is wordend
  • De dood is als een aanwezigheid in het leven
  • Omdat alles verandert is alles waardevol
  • De mens is tussen het voelen en het denken in
  • Zoekt antwoord op de ‘metafysische plaatsloosheid’ in zijn tijd met een bewustzijn dat de werkelijkheid verwerkt en de wereld herschept
  • Wordt ook gekarakteriseerd door het begrip ‘Weltinnenraum’: als een mens die ruimte ervaart is die de wereld
  • Is rechtstreeks gekoppeld aan natuur: als trillingen en kleuren de mens bereiken behoren die tot zijn leven en houdt het leven dus niet bij de mens zelf op: alleen het eindige leven is alles wat een mens heeft
  • Richt zich op eenheid waarin het andere niet meer het niet-eigene is: in de wereld heeft alles een plek
  • Heeft te maken met zogenoemd ‘grenzeloos bewustzijn’
  • Waarin hij een levensfilosofie heeft ontwikkeld: het leven wordt niet gevormd naar een kunstvorm maar de kunst zo wordt gehanteerd dat die naar een waarachtig leven de weg wijst

Florian Jacobs, ‘Blijven is nergens – het Europa van Rilke’, Boom uitgevers Amsterdam, 2024

Stijlkenmerken:

  • Het geschrevene staat vaak in verband met de omgeving
  • Gedichten hebben dynamiek: van werkelijkheid naar mogelijkheid, van verwelking naar bloei en van realiteit naar ideaal
  • Verhalen worden in de begintijd gekenmerkt door hoofdpersonen die ‘verlaters’ zijn die zelden naar huis terugkeren zoals vluchtenden, vreemdelingen en wandelaars zonder bestemming
  • Gaandeweg zijn ontwikkeling wordt de gebruikte woordkunst rijker en doordachter
  • Kenmerken zich onder andere ook door afstand versus nabijheid, irrealisme versus realisme, behoedzaamheid versus exclamatie
  • Het decor van een gebeurtenis, zoals een landschap, krijgt een hoofdrol
  • Gedichten zijn als eenheden in beweging en de voltalligheid van die eenheden vormen een volmaaktheid in een voortdurende wording
  • Gedichten kunnen weleens gelden als (vroeg-)modernistisch: een verteller beschrijft de wereld als deelnemer en als buitenstaander eraan
  • Bevat beschrijvingen van zuivere beweging zoals een dans met een bal
  • Latere gedichten kennen in verhouding met eerdere amper nog een ‘ik’ of een ‘mijn’ waarmee de blik van de lezer wijder wordt
  • Latere gedichten zijn uitingen van een niet-weten en het zich laten verrassen door de omringende wereld
  • Aan de mens overstijgende elementen worden later zo beschreven dat die er begrip van gaat krijgen
  • Dingen zelf en niet ideeën over de dingen staan centraal
  • De ervaring van verandering wordt essentieel: het doel van beweging wordt gaandeweg in zijn werk minder belangrijk
  • Met taal worden door Rilke verhoudingen geduid in tegenstelling tot die taal die het claimen van de wereld tot doel heeft
  • Taal wordt vaak gebruikt voor de grenservaring tussen nabijheid en verte

Ontwikkelde een soort kunstesthetica:

  • Middels aantekeningen in zijn Florentijns dagboek
  • Waarin de kunstenaar een eigen wereld bouwt
  • Waarin het gevoel wordt gevormd in plaats van het direct te gebruiken
  • Waarin het maken van kunst als het toppunt van menselijk gedrag wordt gezien
  • Waarbij de kunstenaar persoonlijk obstakels naar een kunstrijk bestaan neemt tot die goed naar zichzelf kan kijken
  • Waarin het scheppen als een vorm van ordening beschouwd wordt dat een zekere weidsheid tot gevolg heeft
  • Waarvan het uitgangspunt is dat kunst niet verwijst naar een grotere wereld maar de wereld groter laat worden
  • Waarbij de herordening van zichzelf tot al het overbodige is verdwenen leidt tot een ruimte voor een orde die alle inbreuk van buitenaf kan weerstaan; dit is een ‘esthetisch solipsisme’.
  • Waarin de mens niet eindig is en verbonden met eeuwigheid waardoor angsten kunnen verdwijnen
  • Waarin vreugde bestaat uit een toename vanuit het niets terwijl geluk bestaat een gelukkige combinatie van dingen die al bestaan
  • Waarbij de vreugde de mens toe-valt
  • ‘Het verbeelden van vreugde is het doel van alle kunstwerken’
  • Waarin de menselijke existentie een esthetische aangelegenheid is
  • Kan gezien worden als een inleiding tot het geheel waarin we alles met zintuigen, talige vermogens en verbeeldingskracht kunnen vatten en waarmee we ‘thuis’ komen