De Frankfurter Schule:
- ontstond uit onderzoek naar het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog
- benoemde de ‘instrumentele rationaliteit’: een door wetenschap en technologie ingegeven manier voor een omgang met de natuur die alleen op efficiëntie en gewin uit is
- bestudeerde de cultuur waarin verschijnselen economische en sociaal-psychische structuren bevatten
- benoemde de ‘cultuurindustrie’ waarbij grote mediaconcerns bepalen wat we in de media zien en horen
- benoemde dat de rede voorkomt uit natuur en daar een onderdeel van is
- benoemde de ontwikkeling van de rede uit de bakermat van onze natuur als gewelddadig en als we dit onder ogen kunnen zien is er een mogelijkheid tot het beëindigen van geweld
- is geen vaste groep denkers, die bovendien uit vier generaties bestaat
- geldt niet als een gehele stroming binnen de filosofie maar is wel een denktraditie waarin diverse thema’s te onderscheiden zijn zoals vervreemding, rationalisering, massacultuur, ideologie, wetenschap en politiek, kennis en macht en zelfkritiek
- wordt onterecht weleens als neomarxistisch bestempeld
Max Horkheimer:
- startte al in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw met onderzoek aan de universiteit in Frankfurt
- onderzoek bevatte een kruisbestuiving tussen filosofie en empirisch onderzoek waarbij filosofie concepten aanreikt voor onderzoek en empirische data filosofische inzichten konden bijstellen
- introduceerde in 1937 de ‘kritische theorie’
Kritische theorie:
- is normatief omdat er een oordeel geveld wordt over vormen van sociale onrechtvaardigheid
- is een maatschappij- en cultuurtheorie die wil bijdragen aan de opheffing van uitbuiting en onderdrukking
- heeft dus niet alleen de vermeerdering van kennis tot doel maar ook de emancipatie van de mens uit situaties die hem tot een ondergeschikte maken
- schuwt geen oordeel
- is een theorie waaraan niet de eis gesteld wordt dat die direct in de praktijk moet kunnen worden gebracht
- is zelf-reflectief van aard
Het freudomarxisme:
- is een vereniging uit de theorieën van Freud en Marx
- heeft als kern dat het kapitalisme niet alleen een economisch systeem is maar ook een vorm van bewustzijn is dat vatbaar is voor existentiële crises
- behandelt het begrip fetisjisme: waarbij we volgens Marx een product een eigen wil toedichten en daarmee de arbeid ervoor veronachtzamen en dat volgens Freud te maken heeft met (seksueel) verlangen dat op iets wordt geprojecteerd
- het ‘fetisjbegrip’ is sterk van toepassing op de muziekindustrie omdat het niet alleen om muziek gaat maar ook om bijvoorbeeld kleding van de popster omdat er zoveel mogelijk hits gescoord en het succes dus geconsumeerd moet worden
- werd beschreven door onder andere Adorno, Benjamin, Baudrillard, Fromm, Lacan en Marcuse
Een autoritaire persoonlijkheidsstructuur:
- ontstaat door het individualisme waarbij het individu door het kapitalisme losgezongen is geraakt van traditionele familiebanden
- is existentieel eenzaam en ontstaat door onderwerping aan of inkapseling in een nieuwe autoriteit
- kenmerkt zich, volgens Fromm, door een sadomasochistische neiging die voortkomt uit eenzaamheid en onmacht
- waarbij het leiderschap het substituut is van een eigen ego-ideaal dat wordt gekenmerkt door nadruk op zelfbehoud en het onvermogen om eigen doelen te behalen
- is volgens Adorno als leider een ‘great little man’ die zich enerzijds als übermensch en anderzijds als underdog presenteert
- is niet de enige verklaring voor het ontstaan van fascisme

De ‘Dialectiek van de Verlichting’:
- geldt als een belangrijk theoretisch werk van de Frankfurter Schule
- was bedoeld als een dialectische theorie gebaseerd op werken van Hegel en Marx
- handelt over het westerse denken met de wortels in de Verlichting die geweld in de tegenwoordige tijd tot gevolg hebben (gehad)
- komt voort uit de vraag hoe het kan dat een cultuur die zich als beschaafd ervaart in staat blijkt tot gruwelijke misdaden
- geldt als een rijk werk met aandacht voor antisemitisme, massacultuur, de Odyssee, Juliette van Markies de Sade en over de filosofie van de geschiedenis en kennistheorie
- waarbij bij Markies de Sade het menselijke lichaam tot machine verwordt
- waarbij in de Odyssee van Homerus de mens geleerd wordt niet enkel de uitwendige maar ook inwendige natuur te beheersen en daarmee te verloochenen
- beschrijft dat uit de Verlichting die zich afzette tegen het mythische denken een nieuwe mythologie voortkwam in een alomvattend totalitair systeem waarin het individu er niet meer toe deed
- beschrijft dat de mens in een instrumentele rationaliteit gedrukt is en daarmee de eigen natuur onderdrukt
- beschrijft het omslagpunt van zelfbeheersing en zelfverloochening enerzijds naar een gebrek aan een eigen zelf dat daardoor ontstaat anderzijds als zijnde de dialectiek van de verlichting
- beschrijft dat een daaropvolgend schrikmoment ervoor kan zorgen dat uitzicht ontstaat op een punt dat eraan voorbij ligt – en dit geldt als een ‘tweede dialectisch omslagpunt’
Populaire cultuur:
- is een pijnstiller die kritisch denken uitschakelt
- wordt gebruikt als een verdovingsmiddel waarmee de heersende orde de macht behoudt
- is onderdeel van een cultuurindustrie waarin de wetten van de markt gelden en waaruit in de eenvormigheid ervan een gecontroleerde samenleving volgt
- is binnen de cultuurindustrie een vorm van ‘antiverlichting’ die de vorming verhindert van zelfstandige en bewust oordelende individuen die voorwaardelijk zijn voor een democratie
De liefdesindustrie:
- verbindt massacultuur, consumentisme, technologie en seksualiteit
- wordt gevoed door een dwang tot onderdrukking van behoeften waarbij het lustprincipe plaats maakt voor het realiteitsprincipe gericht op de bestaande maatschappelijke orde
- maakt dankzij vervanging van het lustprincipe door het realiteitsprincipe kunsten mogelijk
- verdringing van de lust is hierbij geen natuurlijke noodzaak in afwijking van Freuds zienswijze maar is nodig om machtsverhoudingen te kunnen laten bestaan; dit is de zogenoemde ‘surplus-repressie’ van Marcuse
- werkt in het kapitalistische bestel repressief in plaats van dat de individuele vrijheid gekoesterd wordt
- wordt gekarakteriseerd door ‘repressieve desublimatie’ volgens Marcuse: aan elk verlangen van het individu kan de samenleving onmiddellijk voldoen waarbij steeds een kortdurende bevrijding bij mensen ontstaat, waarop het verlangen tot koopwaar gemaakt wordt en niet langer omgezet wordt in iets van een hogere orde (dat de desublimatie repressief maakt)
- vaagt het kritische vermogen van mensen weg
De talige communicatie:
- is gericht op bepaalde geldigheids-aanspraken zoals een claim op waarheid, juistheid en waarachtigheid
- vormt de basis van de moraal omdat die in talige communicatie (door de aanspraken op geldigheid) besloten ligt
- wordt, volgens Habermas, gevoed door een talig handelen die behalve communicatief ook strategisch is
- waarbij in talig handelen een impliciete wens besloten ligt om te worden begrepen; dit wordt ‘communicatieve rationaliteit’ genoemd
- communicatief handelen maakt, volgens Habermas, deel uit van de leefwereld die hij onderscheid van de systeemwereld waarin strategisch wordt gehandeld
- steunt de democratie met het proces van deliberatie: de ‘deliberatieve democratie’ is een voortdurend proces, een cultuur, waarin het gesprek in een gedeelde publieke sfeer centraal staat
Communicatie in de publieke sfeer:
- is, volgens Negt en Kluge, niet slechts talig en rationeel, zoals Habermas vaststelde, maar ook beeldend
- maakt naast taligheid gebruik van zintuigen en andere lichamelijke vermogens die eigenzinnig en ‘gemeenzinnig’ functioneren
- waarin de eigenzinnigheid geen natuurlijke eigenschap van mensen is maar uit noodzaak ontstaat als een antwoord op onteigening van zintuigen die naar buiten toe zijn gericht