Bewegingswetenschappen:

  • zijn met name ontstaan in de tweede helft van de twintigste eeuw
  • hanteren empirisch-analytische wetenschappen in het licht van de natuurwetenschappelijke theorie
  • maakt ook gebruik van de hermeneutiek: de wetenschappelijke kennisverwerving op zoek naar betekenis van de dingen

Waarom bewegingswetenschappen:

  • we krijgen niks in de wereld gedaan zonder beweging
  • bij bewegingswetenschappelijke vraagstukken zijn altijd meerdere wetenschappelijke disciplines betrokken
  • vanuit de bewegingspraktijk wordt wetenschappelijke onderbouwing gewenst

Het bewegen:

  • werd vanaf de Griekse oudheid opgevat als ‘verandering’
  • werd later (14-1500 na Chr.) opgevat als ‘verplaatsing’ dat in kwantiteiten werd uitgedrukt
  • kan worden onderscheiden in lichaamsbewegingen en bewegingshandelingen
  • waarbij de bewegingshandeling hoort tot een relationeel lichaamsbeeld

Bewegingshandeling:

  • wordt bepaald door context van de beweging, de omgeving en het doel van de beweging 
  • is waarbij de handeling ervan het tot stand brengen of handhaven van een bepaalde relatie tot de omgeving behelst
  • wordt nog vaak gereduceerd tot lichaamsbewegingen zonder omgevingsaspecten waarmee klachten worden gereduceerd tot het lichaam alleen

Motor en actie:

  • motorbenadering: beweging komt tot stand in de hersenen en het lichaam is daarmee een passief instrument
  • actiebenadering: handelingen ontstaan in de interactie tussen het individu en de omgeving 

Geschiedenis bewegingswetenschappen:

  • gaat terug tot de Griekse oudheid
  • Heraclites: dingen bewegen als een stroom (‘panta rhei’)
  • Parmenides: beweging wordt wel waargenomen door de mens maar bestaat niet omdat de werkelijkheid is zoals die is
  • Socrates en Plato legden basis voor natuurwetenschappelijke studie van beweging van mens en dier
  • het gedachtegoed van Socrates en Plato kreeg beslag in het werk van Aristoteles dat mede bestaat uit waarnemingen en redeneringen zonder experimenten
  • nauwgezette studies kwamen na de middeleeuwen tot stand met het werk van Leonardo da Vinci
  • Vesalius bracht het bewegingsapparaat natuurgetrouw in kaart in lijn met het mechaniserende mensbeeld 
  • Borelli presenteerde eerste, baanbrekende inzichten ten aanzien van de werking van de spieren en de balans van de mens en geldt daarmee als grondlegger van de moderne biomechanica
  • Borelli is behalve van de biomechanica niet los te zien van lichamelijke opvoeding die zich eind 18e eeuw ontwikkelde 
  • daaruit ontstond de Duitse ‘Körperkultur’ en werd in Zweden zogenoemde ‘kinesiologie’ (‘kennis van bewegen’) door Ling bestudeerd 

Nikolai Bernstein (1896-1966):

  • belangrijke grondlegger van de moderne bewegingswetenschappen
  • beweging is een herhaling zonder herhaling: geen enkele herhaalde beweging wordt exact hetzelfde uitgevoerd 
  • beweging wordt gestuurd door synergieën; dus niet vanuit een enkele spier maar samenwerkende delen waarin bindweefsels en zwaartekracht ook een rol hebben
  • was gericht op het doorgronden van acties en niet op de koppeling tussen reflex en stimulus (zoals volgens Pavlov)

Het geleefde lichaam:

  • behelst de manieren waarop mensen zich via hun lichaam verhouden tot hun omgeving 
  • heeft manieren (waaronder de afstemming van het lichaam op de omgeving) die voorbewust plaatsvinden
  • gaat terug op de filosofische stroming van de fenomenologie 

Lichaamsbeelden:

  • de fenomenologie kwam vorige eeuw op naast de bestaande objectief-wetenschappelijke benadering 
  • in de fenomenologie is het lichaam geen meetbaar object maar een voorwaarde tot waarneming van objecten 
  • het lichaam als een fysiek ding wordt ‘Körper’ genoemd en het lichaam als voorwaarde voorwaarde tot waarneming ‘Leib’
  • filosoof Michel Serres ziet een hoofdgestuurd lichaamsbeeld als een vuurtoren: het hoofd neemt waar door te draaien en de rest van het lichaam ondersteunt het licht ervan
  • volgens Serres veronachtzaamt dit model van de vuurtoren dat we waarnemen met ons hele lichaam en dat voelen eerder met de huid dan met het brein te maken heeft
  • volgens filosoof Trudy Dehue versterkt het hoofdgestuurde lichaamsbeeld individualisering en medicalisering in de hand
  • volgens Serres kan het lichaam als persoon en in de relaties worden opgevat en is het begrijpen van de wereld in een samenhang met de huid en de tastzin
Edwin Koster en Ivo van Hilvoorde (red.), ‘Homo movens – filosofie en wetenschap van sport en bewegen’, VU University Press, Amsterdam, 2024

Sportfilosofie:

  • is een toepassingsgebied van filosofie dat zich bezighoudt met sport, spel en het bewegende en sportende lichaam
  • heeft met name als invalshoeken esthetiek, epistemologie (waaronder kennisvergaring met en door het lichaam), ethiek, medische ethiek, logica, metafysica, techniekfilosofie, politieke filosofie en axiologie

Sport en duurzaamheid:

  • filosoof Bernard Suits definieert sport als een poging om zelf opgeworpen obstakels te overwinnen
  • duurzame duursport kan worden opgevat als een middel tot een doel dat moreel hoogstand is: een duurzamere wereld
  • in de ecosofische sportopvatting staan spelvreugde en brede ontwikkeling hoger aangeschreven dan competitie, specialisatie en monomanie
  • opgaan in beweegplezier en samensmelting met de omgeving zijn in de ecosofische sportopvatting de belangrijkste doelen
  • ‘ascese’ (opgevat als Oudgrieks begrip) kenmerkt de training tot een zinvol leven die in de oude Griekse beschaving in ‘gymnasia’ door naakte, vrije mannen (‘gymnos’ betekent naakt) gedaan werd en die na een training het leven met elkaar doornamen
  • dit laatstgenoemde gegeven kan filosofen volgens filosoof Sloterdijk uitnodigen af te dalen uit de geest naar het getrainde lichaam en hij stelt dat filosofie daarmee gaat over het vermogen tot het verdragen van pijn 

Ethiek:

  • is een argumentatief vak dat dialogisch van aard is
  • er is dus altijd sprake van een uitwisseling van argumenten en tegenargumenten 
  • kent als methode het moreel beraad waarin normatieve overwegingen van betrokkenen over concrete casussen worden onderzocht
  • toegepast op sport zijn er door de relatieve autonomie ervan twee kaders: die van binnen de sport en die van de samenleving

De sportactiviteit:

  • Is onbegrensd omdat niet haarscherp kan worden bepaald wat wel en niet sport is
  • Is vaak spel maar definiëring daarvan wordt niet gekenmerkt door eenduidigheid omdat er geen 1 essentie is aan de hand waarvan iets een spel kan worden genoemd
  • kan worden opgevat als een familiebegrip: in de sportfamilie kunnen activiteiten plaatsvinden die een zekere verwantschap met elkaar hebben 

Het spel:

  • is volgens cultuurfilosoof Johan Huizinga onder andere een vrije handeling met een doel in zichzelf

Het plezier in sport:

  • werd beschreven door de Franse filosoof Caillois
  • wordt ingegeven door spel
  • spel waarin vrij spel (‘paidia’) en regelgeleid spel (‘ludus’) een rol spelen
  • waarbij het plezier vooral ingegeven wordt door paidia dat te maken heeft met levenslust
  • waarbij spel elementen bevat van vrij, afgegrensd, onzekerheid van uitkomst, niet productief, regelgeleid en vrije onwerkelijkheid (‘make belief’)

De zingeving:

  • is de manier hoe we betekenis geven aan het leven dat levenskunst geeft
  • daartoe is ons lichaam een noodzakelijke voorwaarde
  • het lichaam is onze primaire manier van in de wereld zijn
  • de zin ontstaat door lichamelijke interactie met de omgeving
  • een interactie die voorwaardenscheppend is voor transcendentie en spiritualiteit
  • waarbij filosofie tot taak heeft ons in het reine te laten komen met het ‘belichaamd zijn’ (volgens filosoof Mark Johnson)
  • het zijn volgens Johnson een driehoek van brein, lichaam en omgeving die de zin bepalen en die een ‘esthetische band’  tot de omliggende wereld geeft dat terugslaat op het begrip ‘levenskunst’.
  • lichaam en geest staan dus niet los van elkaar en zijn aspecten van de stroom (‘flow’) van interacties tussen mens en omgeving
  • zin is de ontwikkeling van het lichaam tot een geleefde betekenis
  • levenskunst is verbonden met sport omdat de sport activiteiten in zich draagt waarmee die levenskunst kan worden gerealiseerd die bijdraagt tot zingeving